Machiel van Zanten

freelance journalist, tekstschrijver, eindredacteur

‘Inbreng private partijen kan openbare ruimte verbeteren’

De grenzen tussen de publieke en private ruimte vervagen, onder andere door de toenemende invloed van private partijen. Die invloed kan de openbare ruimte helpen verbeteren, stelt stadsgeograaf dr. Rianne van Melik. “We moeten zoeken naar goede mogelijkheden van coproductie.”

Een gesprek over ‘openbare ruimte’ begint al gauw met de vraag wat dat begrip nu precies inhoudt. Het antwoord daarop is niet eenvoudig, zegt Van Melik, want het onderscheid tussen openbaar en privé is vaag. "Veel mensen redeneren: als een gebied of gebouw privé-eigendom is, is het geen openbare ruimte. Maar een universiteit of ziekenhuis is een private ruimte en toch loop je er zo binnen. Andersom is de openbare ruimte niet altijd openbaar. Als André Rieu optreedt op het Vrijthof in Maastricht, is dat plein alleen toegankelijk voor mensen met een kaartje.”

Januskop

De gangbare visies op de openbare ruimte staan tegenover elkaar als de twee gezichten van een januskop. “Enerzijds is er een idyllisch idee dat mensen van alle rangen en standen elkaar in de openbare ruimte ontmoeten en daar van elkaar leren. De openbare ruimte zou ons daardoor betere, meer tolerante mensen maken. Ook zien mensen de openbare ruimte als platform voor democratie en protest. Wie het ergens niet mee eens is, gaat de straat op. Kijk naar de Occupybeweging en de Arabische lente.” Daartegenover staat de “zwartgallige” visie dat we steeds meer openbare ruimte verliezen door bijvoorbeeld privatisering, individualisering en commercialisering.

Van Melik kan zich in geen van beide beelden helemaal vinden. “Het rooskleurige beeld is té rooskleurig. Geen enkele openbare ruimte is helemaal openbaar, overal gelden regels. En van echte ontmoeting en interactie is maar zelden sprake. In plaats van met elkaar leven de meeste gebruikers van openbare ruimtes langs elkaar heen.”

Koopgoot

Ook het negatieve beeld van toenemend privatisme nuanceert Van Melik. Ze verwijst naar de Rotterdamse Beurstraverse, ook wel de koopgoot genoemd. Dat is volgens Van Melik een perfect voorbeeld van hoe een private bijdrage de openbare ruimte kan verbeteren.

De koopgoot heeft geen dak of voordeur, maar lijkt verder in alles op een besloten winkelcentrum. "Op een strook van driehonderd meter hangen zestig camera’s en particuliere beveiligers sturen iedereen weg die zich niet aan de regels houdt. Toch is de koopgoot een succes. Het heeft de binnenstad een enorme impuls gegeven en was het begin van de revitalisering van Rotterdam. De gemiddelde bezoeker let niet op al die camera’s en beveiligers. Hij komt gewoon om te winkelen.”

Dominante overheid

Vanwege zulke voorbeelden wil Van Melik in de discussie over publiek en privaat niet zwart-wit denken. “Ik pleit voor het zoeken naar goede mogelijkheden van coproductie. Juist tijdens een economische crisis kan de overheid de inbreng van private partijen goed gebruiken. Die inbreng heeft echter baten en kosten. Per geval moet je kijken hoe je de baten kunt vergroten en de kosten kunt beperken.”

Van Meliks standpunt is nog geen gemeengoed. “We hebben in Nederland lang een dominante overheid gehad. Dat moest ook wel tijdens de naoorlogse wederopbouw. Het is bij mensen tussen de oren gaan zitten dat de inrichting van de openbare ruimte een taak van de overheid is en dat burgers daarbij passief blijven. Ik zie wel steeds meer particulier initiatief. Denk aan rotondes, die door de lokale hovenier worden onderhouden. En in sommige gemeenten, zoals Rotterdam, krijgen buurtbewoners een potje geld om bijvoorbeeld hun straat opnieuw in te richten. Burgers worden dus wel steeds actiever, maar zo’n proces kost tijd.”