Machiel van Zanten

tekst & redactie

Q-koorts bracht wetenschap en praktijk bij elkaar

Corona is niet de eerste zoönose die we meemaken en zal vast niet de laatste zijn. In 2007 werd Nederland getroffen door ’s werelds grootste uitbraak van Q-koorts. Advocaat Luc Rohof en wetenschapper Ingeborg Haazen vonden elkaar in de juridische strijd voor de slachtoffers.

“Het is de rode draad in mijn carrière”, zegt Luc Rohof. “Mijn hele loopbaan als advocaat ben ik met Q-koorts bezig geweest.” Rohof was in 1972 vanuit Valkenswaard naar Nijmegen gekomen om rechten te studeren. Ik heb er lang over gedaan, dat kon nog in die jaren. Ik heb in die tijd veel gesport en was actief in het studentenleven. Ik was een fanatieke hockeyer, bij Union. Mijn beste vrienden uit die tijd zijn nog steeds mijn vrienden.”

Na zijn studie werkte Rohof decennia bij De Lage Landen, het leasebedrijf van de Rabobank. Tot hij op zijn 55e een carrièreswitch maakte. “Op advies van een oud-collega die op latere leeftijd advocaat was geworden, ben ik ook de advocatenopleiding gaan doen. Zat ik als vijftiger met driehonderd anderen tentamens te maken in de Jaarbeurs. Ik was mijn eigen praktijk al gestart, dus ik moest die tentamens wel halen. Ik weet nog dat ik behoorlijk zenuwachtig was. Het was dan ook een moment van geluk toen ik het papiertje kreeg dat ik geslaagd was.”

Uitbraak

In 2007 kreeg Nederland te maken met een uitbraak van Q-koorts, een bacteriële infectieziekte die van dier op mens kan overgaan. In ons land werd de ziekte vooral overgedragen door melkgeiten. Meer dan honderdduizend mensen raakten besmet, bijna de helft van hen kreeg griepachtige verschijnselen. De meeste patiënten herstelden snel, maar duizenden slachtoffers hielden ernstige vermoeidheidsklachten: het Q-koortsvermoeidheidssyndroom (QVS) en chronische Q-koorts. Waarschijnlijk zijn ongeveer honderd mensen aan de ziekte overleden.

Rohof was net als advocaat begonnen toen DAS Rechtsbijstand zijn patroon, Ivo Sindram, vroeg om een advies te schrijven over de mogelijkheden om de staat of individuele geitenhouders aansprakelijk te stellen voor de Q-koortsschade. “Ivo vroeg mij erbij. Vlak voor we bij DAS de juridische mogelijkheden zouden presenteren, vroeg een collega-advocaat die hoorde over onze plannen: ‘Dan heb je zeker dat artikel van Ingeborg Haazen wel gelezen?’”

Goed onderbouwd

Ingeborg Haazen werkte op dat moment bij de vaksectie Burgerlijk recht. Ze was in 1984 in Nijmegen klassieke talen komen studeren. Toen dat tegenviel, besloot ze rechten ernaast te doen. Haazen genoot met volle teugen van het studentenleven, richtte en passant dispuut Skarabee op (“dat loopt nog steeds als een tierelier, daar ben ik ontzettend trots op”), werd student-assistent bij Rechtsgeschiedenis en kreeg er na haar afstuderen een promotieplaats. “Ik deed onderzoek naar de middeleeuwse kerk als onderneming. Heel eenzaam en frustrerend werk. Na vijf jaar liep mijn aanstelling af en was ik niet gepromoveerd. Intussen had ik steeds meer belangstelling gekregen voor het moderne recht. Via een docentschap aan de VU keerde ik terug naar Nijmegen om aansprakelijkheidsrecht te doceren.”

Het artikel dat Haazen had geschreven, verscheen in het Nederlands Tijdschrift voor Burgerlijk Recht. Rohof: “Toen ik het op aanraden van die collega las, dacht ik: dit is zo goed onderbouwd, daar hoeven we in ons advies aan DAS niets meer aan toe te voegen.” Haazen: “Ik had gedetailleerd beschreven op welke grondslagen de geitenhouders en de overheid aansprakelijk te stellen waren voor de gezondheidsschade van de Q-koortsslachtoffers. Voor de geitenhouders baseerde ik de aansprakelijkheid op art. 6:175 BW, voor de overheid op artt. 2 en 8 EVRM.”

Juridische strijd

DAS gaf Rohof en Sindram groen licht om als externe advocaten gerechtelijke procedures te starten. “Ivo schreef de zaak van ruim driehonderd slachtoffers tegen de staat, ik deed alle individuele zaken en runde het totale Q-koortsproject. Samen waren we hét loket voor alle juridische en vergoedingsvragen rond Q-koorts. De media liepen onze deur plat. Heel bijzonder: twee advocaten van een kleiner kantoor uit Nijmegen. De grote kantoren zagen er helemaal niets in.”

Vanaf het begin van de juridische strijd hadden Rohof en Haazen regelmatig contact. Ze gingen samen naar bijeenkomsten van slachtoffers, Haazen las de dagvaarding mee en adviseerde over de finesses van aansprakelijkheid. In bijna alle individuele zaken die Rohof voerde, was hij succesvol en kregen zijn cliënten een schadevergoeding.

Parallellen met corona

Inmiddels is de wereld al een jaar in de greep van een andere zoönose. Rohof en Haazen zien parallellen tussen Q-koorts en corona, maar ook verschillen, bijvoorbeeld wat betreft overheidsaansprakelijkheid. Rohof: “In beide gevallen heeft de staat de plicht om burgers te informeren en adequaat op te treden.” Haazen: “Maar anders dan bij de Q-koorts heeft de overheid bij corona allerlei maatregelen genomen om de gevolgen te beperken.” Rohof: “Bij de Q-koorts woog het economisch belang van de landbouw zwaarder dan de volksgezondheid. Dat is bij corona niet het geval.”

Ook de werkgeversaansprakelijkheid, waarop individuele Q-koortszaken vaak gebaseerd waren, is lastiger aan te tonen. Corona kun je immers overal oplopen. Haazen: “Ik zie alleen aansprakelijkheidsmogelijkheden als een werkgever zijn mensen geen anderhalve meter afstand laat houden. Of als medewerkers naar kantoor moeten komen, tegen het thuiswerkadvies in.”

Impuls

Rohof is inmiddels gepensioneerd, maar is nog actief als advocaat en handelt zijn lopende zaken nog af. Als praktijkman had hij veel baat bij het contact met wetenschapper Haazen. “Het artikel van Ingeborg gaf mij de juridische argumenten om die Q-koortszaak te starten. Daarnaast heb ik veel gehad aan haar adviezen en wierf ze stagiaires. Die hielden interviews met patiënten, inventariseerden schade, hielden cliëntenbestanden bij, enzovoort.”

Ook Haazen heeft geprofiteerd van het onderlinge contact, bijvoorbeeld omdat haar wetenschappelijke argumenten uitgebreid werden getoetst in de praktijk. “Daar haal ik hypotheses uit voor nieuwe artikelen. Ook persoonlijk heeft het me veel gebracht. Ik ben bij toeval wetenschapper geworden en dacht dat ik niet geschikt was voor de prestatiegerichte advocatuur. Door het contact met Luc heb ik geleerd dat ik ook wil winnen en dus wél geschikt geweest zou zijn als advocaat. Ik overweeg geen overstap, maar durf nu wel duidelijker mijn standpunten te verkondigen. Bovendien heeft mijn wetenschappelijke carrière een impuls gekregen. Ik ben zo door de Q-koortszaak gegrepen, dat ik op artikelen hierover wil promoveren. Tot slot vind ik het geweldig dat de Q-koortsslachtoffers indirect door mijn artikel schadevergoeding hebben gekregen. Dan heb je als wetenschapper echt maatschappelijke relevantie.”

Verschenen in Radboud Rechten, mei 2021.