Machiel van Zanten

tekst & redactie

Menno Simons: doperse duif tussen de stootvogels

‘Als de predikers op zachte bedden en kussens liggen, moeten wij ons gewoonlijk heimelijk verschuilen in verborgen hoeken […] Terwijl zij met zeer hoge pachten en goede dagen rijkelijk voor hun dienst beloond worden, moeten vuur, zwaard en dood ons loon en deel zijn.’

In deze uitspraak van Menno Simons vinden we de tragiek van zijn hele leven terug. De naamgever van de Mennonieten, en Witmarsums beroemdste zoon, was ooit zelf een prediker met een comfortabel leventje. Maar na zijn breuk met de katholieke kerk was hij met zijn gezin voortdurend op de vlucht, ‘als die verjaegde Duyfkens voor den stootvogel’. Hoewel Menno al bijna 450 jaar dood is, leeft zijn geest voort. Wie vanuit Witmarsum de Easthimmerwei afrijdt, ziet na ongeveer een kilometer een obeliskvormig monument. Het is er in 1879 geplaatst ter nagedachtenis van Nederlands’ enige kerkhervormer. De overlevering wil dat hier het huis heeft gestaan van Herman en Gerrit Jansz en dat dit de plek is waar Menno zijn eerste preek hield na zijn uitgang uit het Pausdom, regelmatig terugkeerde, getrouwd is en zelfs gewoond heeft. Het is een mooi verhaal, maar niet erg waarschijnlijk. Niettemin is de plek, zeker voor Mennonieten uit de Verenigde Staten en Canada, uitgegroeid tot een waar bedevaartsoord.

Menno’s leven is grotendeels in nevelen gehuld. We weten dat hij werd geboren in Witmarsum, vermoedelijk in januari 1496, maar mogelijk al in het najaar van 1495. Het lijkt misschien merkwaardig dat we geen exacte geboortedag kennen, maar het is nog geen eeuw geleden dat historici in het duister tasten over Menno’s geboortejaar. Toen eind negentiende eeuw zijn vierhonderdste geboortedag werd gevierd, gebeurde dat niet in 1896, maar in 1892. Pas in 1914 kon biograaf Karel Vos melden dat Menno toch echt in 1496 geboren moet zijn.

Over Menno’s jeugd tasten we vrijwel volledig in het duister. Hij was, zoals zijn naam suggereert, de zoon van een zekere Simon - waarschijnlijk een eenvoudige landbouwer - en had vermoedelijk drie broers: Peter, Tijde en Jan. De laatste zou al op jonge leeftijd overlijden. Van Menno’s moeder weten we niets en niemand kan de plek van zijn ouderlijk huis aanwijzen. Menno zal als jonge jongen hebben gespeeld in het dorp, hebben gedwaald over de paden en door de wijdse weilanden, en zijn gedoopt in de parochiekerk. Samen met zijn vrienden zal hij van de koster een paar jaar lees- en schrijfles hebben gekregen, mogelijk ook zangles. Daarna heeft hij waarschijnlijk enkele jaren onderricht gevolgd op een klooster- of stadsschool, wellicht in Bolsward.

Het eerste tastbare wapenfeit dateert van 26 maart 1524 als de dan 28-jarige Menno in Utrecht tot priester wordt gewijd en ‘in der Papen Dienst’ treedt: hij wordt vicaris in Pingjum, het geboortedorp van zijn vader. Menno is er door de parochianen zelf voorgedragen. Net als zijn collega’s, een pastoor en een prebendaris, leidt hij een werelds leven van spelen en drinken. Bij zijn parochianen is hij populair. ‘Een yeder sochte ende wilde my, want de Werelt hadde my lief, ende ick de Werelt’. Overigens bestaat de kerk waar Menno de mis leidde nog steeds. Het gebouw met het zadeldak en de karakteristieke toren is inmiddels een hervormde kerk en is te vinden aan de Grote Buren 8.

In Pingjum voelt Menno zich al snel door de duivel gekweld; hij kan zich eenvoudigweg niet voorstellen dat wijn en hostie tijdens de mis daadwerkelijk in bloed en lichaam van Jezus veranderen. Geïnspireerd door de toenemende kritiek op de kerk en de door Luther geïnitieerde reformatie schaft Menno een Nieuw Testament aan, een boek dat hij van ‘zijn leefdage niet geroert’ had. De Bijbel maakt hem duidelijk dat hij het miswonder niet letterlijk, maar symbolisch moet opvatten, als een gebruik ter nagedachtenis van het lijden van Christus. Menno leidt daaruit af ‘dat wy bedrogen waren’.

Rond dezelfde tijd maakt Friesland kennis met de doperse beweging, die vanuit Zwitserland via Duitsland naar Nederland is overgewaaid. Omdat de dopers gehoorzaamheid aan God belangrijker vinden dan gehoorzaamheid aan wereldse leiders, worden ze streng vervolgd. Menno is geschokt als een van de dopers, de Leeuwarder kleermaker Sicke Freerks in 1531 wordt onthoofd ‘omdat hij zijn doop had vernieuwd’. Menno raadpleegt eerst de geschriften van kerkhervormers als Luther, Bucer en Bullinger. Daarna bladert hij door zijn Bijbel en stelt vast ‘dat de kinderdoop in der Schrift geenen grondt en hadde’. Toch blijft hij de kerk trouw. Hij krijgt eind 1532 zelfs een eervolle benoeming als pastoor in de rijke parochie van Witmarsum. Daar maakt hij naam als een ‘evangelisch’ prediker die Rome bekritiseert en zijn kudde wijst op de smalle weg.

Intussen raakt de hervorming in een stroomversnelling en valt de doperse beweging ten prooi aan radicale lieden die met het zwaard het koninkrijk Gods op aarde willen stichten. In het Duitse Münster probeert Jan Matthijs, vooruitlopend op het laatste oordeel, het nieuwe Jeruzalem af te kondigen. Ruim een jaar is hij meester van de stad, maar dan wordt de opstand bloedig neergeslagen. In Amsterdam rennen radicale dopers naakt - als nieuwe Adams en Eva’s - door de straten en bezetten ze het paleis op de Dam. En bij Bolsward nemen dopers het Oldeklooster in.

De incidenten eisen honderden levens en de dopers die de directe strijd overleven, worden later op vaak gruwelijke wijze terechtgesteld. Onder de slachtoffers is Menno’s broer Peter, die bij de herovering van het Oldeklooster de dood vindt. Voor Menno zijn het keerpunten. Hij voelt zich medeverantwoordelijk voor de acties van ‘die arme verdoolde Schapen, die daer dwaelden, als die gene rechte Herders hadden’. Vanaf de kansel had hij met zijn kritiek op de kerk en zijn evangelische preken immers zelf zijn parochianen tot hervormingsdaden verleid.

Er gaat nog een half jaar voorbij voor Menno, na jaren van innerlijke strijd, al zijn moed bijeenraapt. Op zondag 30 januari 1536 zegt hij het rijke Roomse leven vaarwel en vlucht hij naar Oost-Friesland om zich ‘met lesen en schrijven in der stilheydt in des Heeren woort’ te oefenen. Hoewel ondergedoken, keert hij nog in hetzelfde jaar kort terug naar Witmarsum. Mogelijk trouwt hij in deze periode met zijn geliefde Geertruyd.

Menno laat zich in Leeuwarden opnieuw dopen door Obbe Philips en krijgt begin 1537 bezoek van een aantal dopers, die hem vragen om ‘den grooten swaren jammer ende noodt der armer bedructen zielen een weynigh [te] behertigen.’ Na enige aarzeling accepteert hij het leiderschap van de doperse beweging. Vanaf dat moment trekt hij al prekend, vermanend en verzoenend door de provincie Groningen, de Zaanstreek, de Noordduitse kuststreek en het Rijnland. Op zijn reizen wordt hij soms vergezeld Dirk Philips, broer van Obbe. Hij stelt plaatselijke leiders aan en doopt gelovigen. Bij al zijn reizen loopt Menno gevaar. Er staat een prijs op zijn hoofd en zelfs wie wordt betrapt op het drukken, verspreiden of lezen van Menno’s geschriften riskeert de doodstraf.

Die geschriften verschijnen vanaf 1539 in druk. Zijn magnum opus, Dat Fundament des Christelycken Leers, zal uitgroeien tot het belangrijkste handboek van de vreedzame dopers in de Nederlanden. In dit werk zet hij de doperse leer systematisch uiteen, weerlegt hij de vooroordelen van zijn tegenstanders en geeft hij praktische aanwijzingen voor geloofs- en gemeenteleven. De historicus H.W. Meihuizen schreef bij de heruitgave van het Fundamentboek in 1967: ‘Het is een boek geschreven met emotie; het laat ons een man van vlees en bloed zien die eerder een visie dan een verhandeling wil bieden, eerder een ideaal dan een systeem; en het zou goed kunnen dat die visie en dat ideaal, ondanks de verouderde vorm waarin ze zijn genoten, ook in staat zijn te spreken tot onze tijd.’

Menno en de dopers streven naar gemeenten ‘zonder vlek of rimpel’. Een belangrijk onderdeel daarvan is de gemeentelijke tucht, zoals beschreven in Matt. 18:15–18. Wie zich niet conformeert aan de regels van de gemeente wordt uitgesloten van het avondmaal. Volgt er na een of meer vermaningen geen berouw, dan wordt de zondaar uit de gemeenschap gebannen. Het doel van zulke maatregelen is niet om de overtreder te straffen, maar hem door terechtwijzing terug te krijgen op het rechte pad. Menno’s eerste banboek is niet voor niets getiteld Een lieffelijcke vermaninghe van dat schouwen der valscher broederen.

In 1550 wordt Jan Neulen uit Visschersweert, bij Roermond, gevangen genomen. Hij bekent dat hij Menno vijf jaar eerder ‘s nachts in een weiland heeft horen preken. Het signalement dat Neulen aan de autoriteiten verstrekt is de enige beschrijving die we van Menno’s uiterlijk kennen: ‘Een dyck, vet, swaer man, briecht [ruw] van aengesicht und eynen bruynen baert’. Neulen voegt eraan toe: ‘Konde niet waell gaen’. Het is een verwijzing naar Menno’s loopmoeilijkheden, vermoedelijk als gevolg van een ongeluk. In later jaren zal Menno zijn brieven soms ondertekenen met ‘Menno den Cruypel’.

Menno vlucht verder, hij trekt naar Lübeck, Emden, Groningen, Wismar. Hij bezoekt niet alleen gelijkgestemden, maar debatteert ook met leiders van andere groeperingen, zoals David Joris, Johannes a Lasco, Adam Pastor, Gellius Faber en Martin Mikron. De twistgesprekken worden vaak op het scherp van de snede gevoerd en ontaarden niet zelden in scheldpartijen en frustratie.

Intussen stichten Menno en zijn vrouw Geertruyd een gezin: ze krijgen vermoedelijk één zoon, Jan, en twee dochters, van wie we de namen niet kennen. Vanaf 1554 verblijft Menno met zijn gezin op een landgoed in Wüstenfelde, nabij Bad Oldesloe in Noord-Duitsland. De eigenaar, de edelman Bartholomaeus von Ahlefeldt, heeft met afschuw de vervolging en terechtstelling van dopers aanschouwt en besloten doperse vluchtelingen op zijn domein toe te laten. Menno kan hier in relatieve rust schrijven en - dankzij de aanwezigheid van een drukpers - zijn geschriften drukken. Toch blijven de zorgen Menno achtervolgen. Hij sukkelt steeds meer met zijn gezondheid en verliest hier zowel Geertruyd als vermoedelijk een van hun kinderen.

De doperse beweging dreigt inmiddels door verschillende conflicten stuurloos te raken. Belangrijkste twistpunt is de vraag hoe rigoureus ban en mijding mogen worden toegepast. Dirk Philips, Menno’s vriend van het eerste uur, propageert het harde standpunt. Hij vindt dat voor ban en mijding geen voorafgaand gesprek nodig is. Menno zelf wil zich juist gematigd opstellen. Tijdens een bijeenkomst in Harlingen tussen duiven en haviken wordt de kwestie op de spits gedreven. Menno probeert tevergeefs de strijdende partijen met elkaar te verzoenen. Maar als hij zelf geband dreigt te worden, zwicht hij. Om de eenheid te bewaren, accepteert hij de harde tuchtpraktijk. Het is een knieval die hij de rest van zijn leven zal betreuren.

Gedesillusioneerd keert hij terug naar Oldesloe, waar hij eind 1560 ziek wordt. ‘Weest geen Knecht der Menschen ghelijc als ic geweest hebbe’, zegt hij tegen een vriend die op ziekenbezoek komt. Op 30 januari 1561 herdenkt Menno dat hij 25 jaar geleden is uitgetreden uit het pausdom. Een dag later overlijdt hij. Buren bezorgen hem een eenvoudig graf in zijn tuin. Een gedenksteen en een kleine museumboerderij, de Mennokate, herinneren hier nog steeds aan Menno’s leven en werk.

Menno laat ongeveer veertig geschriften na, die grote invloed hebben gehad. Het is zijn verdienste geweest dat de doperse beweging zich afkeerde van de gewelddadige excessen en de vreedzame weg insloeg. Menno plantte niet het zaadje, maar zorgde wel voor ontkieming van de vredeskerk die anno 2009 ruim 1,5 miljoen volgelingen telt in 75 landen. Ondanks eeuwen van zware vervolging - met als gevolg dat de ‘Duyfkens’ naar alle delen van de wereld uitwaaierden - hebben ze kunnen vasthouden aan de basis, die Menno al tot motto had gekozen: Niemand kan een ander fundament leggen, dan hetwelk gelegd is, namelijk Jezus Christus (1 Cor. 3:11).


Monument voor Menno

Witmarsum mag te regt op Menno Simons roemen En Nederland in hem zijn Kerkhervormer noemen Hier was het daar hij stout het Priesterjuk verbrak En in dit Huisje het eerst naar ‘t vrij geweten sprak

Deze dichtregels verwelkomen de bezoeker bij het Menno Simons monument aan It Fliet, net buiten Witmarsum. Er valt nog meer te lezen op het monument. Op de voorzijde staat dat de obelisk ter nagedachtenis aan Menno Simons is geplaatst. Aan de linkerkant lezen we: ‘Naar luid der overlevering sprak Menno hier tot zijne eerste volgers’. Aan de rechterkant, die naar Witmarsum kijkt, staat dat de doopsgezinden van Witmarsum drie eeuwen lang op deze plek hebben vergaderd. En de achterkant van het monument bevat het jaartal 1536 (het jaar dat Menno de katholieke kerk verliet) en Menno’s motto, afkomstig uit 1 Cor. 3:11: ‘Niemand kan een ander fundament leggen, dan hetwelk gelegd is, namelijk Jezus Christus.’

De gedenksteen is hier in 1879 neergezet, zij het niet zonder weerstand. In Amerika spraken sommige Mennonieten van laster en afgoderij. Maar 130 jaar later heeft het monument een belangrijke symbolische betekenis. Duizenden doopsgezinden uit de hele wereld bezoeken jaarlijks deze plek.

In 2008 is het monument grondig gerestaureerd en heeft het gezelschap gekregen van een zogeheten contourenkerkje. Dit is een metershoog geraamte van veelkleurig staal dat de contouren aangeeft van de vermaning die hier tot 1879 stond. De open constructie op een bakstenen ondergrond symboliseert de wereldwijde diversiteit van de doperse beweging.


De lange arm van Witmarsum

Dankzij Menno Simons is de naam Witmarsum tot ver over de grenzen van Friesland bekend geworden. Zo was er een Mennonieten-kolonie in Brazilië die Witmarsum heette. Na een bloeiperiode in de jaren dertig van de vorige eeuw trokken gaandeweg steeds meer inwoners weg. In 1951 stichtte een aantal Mennonieten-families een nieuwe kolonie in het zuidoosten van Brazilië, eveneens met de naam Witmarsum.

In Bluffton, Ohio, was vanaf 1921 het Witmarsum Theological Seminary gevestigd, gelieerd aan Bluffton College. Om te voldoen aan standaardeisen fuseerden veel seminaries in de jaren dertig. Na tevergeefs aansluiting te hebben gezocht bij andere seminaries, sloot het Witmarsum Theological Seminary in 1931 zijn deuren.

Ook in Ohio vinden we The Witmarsum, een tijdschrift voor en door studenten dat sinds 1913 verschijnt. Studenten van Bluffton University weten: elke vrijdag ligt er een nieuwe editie van The Wit.


Vroege vermaningen in Wonseradeel

Wonseradeel kan bogen op verschillende doopsgezinde vermaningen binnen de gemeentegrenzen. De beroemdste is Menno’s Formanje, aan de Grote Buren 28 in Pingjum. Het fraai gerestaureerde kerkje, dat stamt uit ongeveer 1600, is een toeristische trekpleister. Gekerkt wordt er alleen nog bij bijzondere gelegenheden, maar het schuilkerkje krijgt jaarlijks duizenden doopsgezinde bezoekers. Vooral Amerikanen en Canadezen gaan er op zoek naar hun wortels. Van de buitenkant lijkt de vermaning overigens in niets op een kerk. Toen de Calvinisten na de reformatie aan de macht waren gekomen, moesten aanhangers van andere stromingen hun toevlucht nemen tot schuilkerken. Menno’s Formanje, gelegen achter een woonhuis, is daar een typisch voorbeeld van.

De vermaning in Witmarsum, op de hoek van de Arumerweg en de Menno Simonsstraat, is relatief nieuw. Het gebouw met het gemetselde kruis boven de ingang is in 1877 gereed gekomen en doet nog steeds dienst. Voor die tijd kwamen de dopers tezamen op de plaats waar nu het Menno Simons monument staat. Hier stond tussen 1828 en 1879 een eenvoudig bakstenen gebouwtje. Dat gebouwtje was de opvolger van het zogenoemde Menno Simons huis. De doopsgezinde predikant Pieter Feenstra jr. beschreef het gebouwtje in 1879 als ‘een bouwvallig huisje, uitwendig nog meer op een schuurtje gelijkende, van binnen met steen geplaveid en voorzien van een stookplaats, waarin op de winter-zondagen een helder vuur brandde’. Het (waarschijnlijk onjuiste) verhaal gaat dat Menno hier ooit heeft gepreekt of zelfs gewoond. Op zolder stond een blauwe leunstoel waarin, aldus Feenstra, ‘menig bedevaartganger met eerbiedig vreezen plaats nam, in de verbeelding, dat het Menno’s eigen stoel was’.

Makkum kende rond 1600 tenminste drie doopsgezinde gemeenten. Ten eerste een groep rond Jan Jacobsz, die tussen ongeveer 1599 en 1785 bijeenkwam in een gebouw in de Wijde Steeg. Daarnaast was er een groep Waterlanders, maar over hun geschiedenis en plaats van samenkomst is vrijwel niets bekend. Vermoedelijk zijn ze gefuseerd met de derde gemeente, die van de Vlamingen. Zij kwamen bijeen in een schuilkerk in de Vermaningsteeg. Toen dat gebouw afbrandde is in 1910 een kasteelachtige vermaning in de stijl van de Jugendstil neergezet in de Bleekstraat. Daar kerkt de gemeente tot op de dag van vandaag.

Hoewel van Kimswerd bekend is dat er in de zestiende eeuw honderden mensen (opnieuw) zijn gedoopt, heeft er nooit een vermaning gestaan. Waarschijnlijk gingen de Kimswerders in Arum ter kerke. Daar hebben twee vermaningen gestaan. In 1729 is een van beide verkocht, in 1815 is de andere gesloopt.

Deze teksten zijn in bewerkte vorm verschenen in het boek Het verhaal Wûnseradiel … dat âlde, âlde paad … (Uitgeverij PENN, 2010).

Kijk voor meer informatie over Menno Simons op Menno Simons.net.