Machiel van Zanten

freelance journalist, tekstschrijver, eindredacteur

Vier jaar na de decentralisatie van de jeugdhulp

‘Paniekdossier vraagt om lange adem’

Gemeenten zijn sinds 1 januari 2015 verantwoordelijk voor alle vormen van jeugdhulp. Sindsdien is het motto: één gezin, één plan, één regisseur. De praktijk blijkt echter weerbarstig, ziet bestuurskundige Jan-Kees Helderman. Wachtlijsten groeien en budgetten worden overschreden. “Iedereen snakt naar rust.”

De decentralisatie van de jeugdhulp maakt deel uit van een bredere transitie in het sociaal domein. Ook de zorg op basis van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) en de Participatiewet is gedecentraliseerd naar de gemeenten. “Van die drie is de decentralisatie van de jeugdhulp verreweg de meest complexe opgave”, zegt Jan-Kees Helderman, universitair hoofddocent bestuurskunde. “Daarbij is namelijk het hele zorglandschap herverkaveld.”

Vóór de decentralisatie was de jeugdhulp sterk versnipperd. “De gedachte was dat er te veel verschillende hulpverleners op één gezin zaten. De mantra werd daarom: één gezin, één plan, één regisseur. Er is een model ontwikkeld voor basis-generalistische jeugdhulp, specialistische jeugdhulp die veel voorkomt, en specialistische jeugdhulp die maar op een paar plekken in Nederland wordt geleverd.” Het gaat dan bijvoorbeeld om hulp aan kinderen met een zeer ernstige eetstoornis.

De meeste gemeenten hebben wijkteams gevormd, die niet alleen contact houden met gezinnen, maar ook met bijvoorbeeld scholen, huisartsen en wijkagenten. Helderman: “Het idee is dat de hulpverleners zo dichter bij de burger staan en daardoor betere zorg leveren, problemen eerder signaleren en meer aandacht kunnen besteden aan preventie en opvoedingsondersteuning.”

Willekeur

In theorie klopt het, maar zoals zo vaak is de praktijk weerbarstig. “Vier jaar na de decentralisatie is de jeugdhulp een paniekdossier voor gemeenten geworden”, zegt Helderman. “De wachtlijsten voor specialistische jeugdhulp groeien, budgetten worden fors overschreden, het aantal kinderen in gesloten instellingen stijgt en de specialistische jeugdhulp staat nog steeds te ver van de burger. Bovendien verschillen wijkteams en gemeenten onderling sterk in hun aanpak. Daardoor dreigt het situationele gelijkheidsbeginsel dat aan de decentralisatie ten grondslag ligt (gelijkheid moet per geval worden bekeken omdat de ondersteuningsbehoefte van iedere burger uniek is en om maatwerk vraagt) om te slaan in situationele willekeur.”

Helderman is zijn onderzoek naar de jeugdhulp gestart in drie Rotterdamse wijkteams. Met visiting professor Charles Sabel van de Columbia Law School in New York en Jonathan Zeitlin van de Universiteit van Amsterdam onderzocht hij hoe gezinnen het hulpverleningstraject doorliepen en welke besluiten hulpverleners namen. Helderman zag een gebrekkige registratie. “Bovendien opereerden wijkteams als eilandjes. In Rotterdam waren destijds 42 wijkteams. Er was nauwelijks enige verbinding tussen die teams onderling, maar ook niet tussen de teams en de gemeente of tussen de teams en specialistische zorgverleners.”

Diagnostische monitoring

De onderzoekers hebben hun bevindingen direct gedeeld en staan de gemeente Rotterdam nog steeds bij met advies. “We leggen uit hoe belangrijk het is om te leren van de casuïstiek”, zegt Helderman. “Dat kan alleen als je alle processen monitort, en dan niet op een algemeen niveau of met gegeneraliseerde data. Je moet echt een diep inzicht krijgen in de ontwikkeling van concrete casussen om ervan te kunnen leren. Dat noemen we diagnostische monitoring. We hebben voorstellen gedaan hoe zulke monitoring kan worden geïmplementeerd. Daar is de gemeente nu mee bezig.”

De bevindingen in de Maasstad kunnen ook van belang zijn voor andere steden. Daarom zochten de onderzoekers naar een manier om de Rotterdamse resultaten in perspectief te plaatsen. “We zijn in contact gekomen met het Ondersteuningsteam specialistische jeugdhulp van de Vereniging Nederlandse Gemeenten. Dat team ondersteunt gemeenten, maar ook zorgaanbieders en cliënten. Al snel bleek dat het ondersteuningsteam ook het belang zag van structureel leren van casuïstiek. Samen hebben we afgelopen zomer een rondetafelconferentie georganiseerd waar de gemeenten Utrecht, Amsterdam, Rotterdam, Enschede en Tilburg gevraagd werd hun praktijken te delen. Dat was enorm leerzaam omdat gemeenten van elkaar hoorden hoe zij de jeugdhulp hebben georganiseerd.”

Klankbord

De conferentie krijgt binnenkort een vervolg. Helderman: “Het Ondersteuningsteam specialistische jeugdhulp heeft afgelopen zomer de opdracht gekregen om de hele transformatie vlot te trekken. Het heet nu het Ondersteuningsteam Zorg voor de Jeugd en gaat een landelijke infrastructuur neerzetten om een lerend jeugdstelsel te ontwikkelen. In november is daartoe een 24-uursbijeenkomst zorg voor de jeugd [link naar: https://vng.nl/onderwerpenindex/jeugd/jeugdhulp/nieuws/elke-dag-beter–24-uursbijeenkomst-zorg-voor-de-jeugd] georganiseerd en op 18 december gaan we met het ondersteuningsteam en de Associatie voor de Wijkteams verder praten over wijkgericht werken. Als wetenschappers fungeren we als een soort klankbord. We komen met suggesties en ideeën om een meer lerend stelsel te maken op gemeentelijk, regionaal en landelijk niveau.”

Helderman is als onderzoeker niet meer uitsluitend observator. Hij zorgt ook voor duiding en adviseert belangrijke partijen. “Dat is een heel bijzondere verantwoordelijkheid. Gelukkig is bestuurskunde een interdiscipline. Bestuurskundigen zijn dus heel goed in het spreken en begrijpen van andere disciplinaire talen en het leggen van verbindingen. We benadrukken hoe belangrijk het is om informatie over jeugdhulppraktijken gedisciplineerd en systematisch te vergaren, vast te leggen en te delen. Net zo belangrijk is het om de systemische fouten die je onvermijdelijk tegenkomt, neer te leggen op díe plekken waar ze kunnen worden opgelost.”

Institutioneel tuinieren

Het begrijpen en duiden van processen helpt volgens Helderman bij het brengen van rust. “Daar snakt iedereen in de jeugdhulp naar. Er werken allemaal goed opgeleide professionals, dus aan individuele deskundigheid ontbreekt het niet en aan engagement en inzet evenmin, want die mensen werken keihard. Maar ze missen de infrastructuur om elkaar te kunnen ontmoeten en op een systematische manier van elkaar te kunnen leren. Het creëren van zo’n kennisinfrastructuur is een kwestie van lange adem. Het ondersteuningsteam heeft een opdracht voor drie jaar, maar het gaat waarschijnlijk veel langer duren. Eigenlijk is sociaal beleid een continu experiment. Geconfronteerd met grote budgettaire tekorten hebben de betrokken partijen de neiging om het hele systeem opnieuw om te gooien. Het gebeurt te vaak dat het kind met het badwater wordt weggegooid. Transformeren is ook een beetje institutioneel tuinieren. Je moet jezelf de tijd geven om wat je zaait te laten groeien, zodat je uiteindelijk kunt oogsten. Als je je tuin voortdurend op de schop neemt, groeit er niets.”