Machiel van Zanten

tekst & redactie

Van vervloekte bloedkuul tot voetbaltempel

Een machtige schepping’, gelegen in een ‘weelderig stadspark’, in een ‘kostelijke ontspanningsruimte voor vrije dagen’. Superlatieven schieten eind jaren dertig tekort om het zojuist voltooide Goffertstadion te beschrijven. Zelfs prins Bernhard is tijdens de officiële opening ‘zichtbaar getroffen door het grootsche werk’.

Ongeveer tienduizend mensen brengen op 8 juli 1939, net als de prins-gemaal, een bezoek aan het stadion dat het meest in het oog springende element in het Goffertpark vormt. Ze kijken hun ogen uit. Het stadion biedt plaats aan 30.000 mensen en heeft niet alleen een voetbalveld, maar ook een 440 meter lange wielerbaan, plus een sintelbaan van 436 meter. Het is voor die tijd een absolute topaccommodatie die zich kan meten met de Rotterdamse Kuip en het Amsterdamse Olympisch Stadion.

De prins wordt tijdens de opening onder meer onthaald op een groots opgezette padvindersceremonie, met 1.200 padvinders uit Nijmegen, Arnhem en Wageningen, folkloristische dansen, en een gymnastiekdemonstratie van zo’n 2.000 Nijmeegse middelbare scholieren. Een dag later genieten 20.000 bezoekers van een uitgebreid aanbod aan sporten als hockey, wielrennen, paardensport en atletiek. Hoogtepunt van die tweede dag is een wedstrijd tussen De Zwaluwen - een officieus Nederlands Elftal met sterspelers als Dijkstra, Lenstra en Ten Velde - en het Franse Olympique Lillois. De Nederlanders zegevieren met 2–1, dankzij een winnend doelpunt van Abe Lenstra. Voor de meeste bezoekers is het die dagen groot feest. Tijdens de openingsceremonie wordt met geen woord gerept over de totstandkoming van het stadion en slechts een enkeling zal hebben stilgestaan bij het bloed, het zweet en de tranen die nodig waren voor de bouw.

In de jaren dertig kende Nijmegen de hoogste werkloosheid van Nederland. Mede daarom maakte de toenmalige burgemeester Steinweg zich sterk voor de aanleg van een groot stadspark. Werkgelegenheid creëren was het voornaamste doel van het project dat in totaal een miljoen gulden zou kosten. Vanaf 1935 werkten dagelijks gemiddeld 166 werklozen in de Goffert. Niet geheel vrijwillig, want wie weigerde te werken, kreeg simpelweg geen uitkering.

De werklozen hadden de constructie van park en stadion niet mee. Om in het park heuvelachtige glooiingen te creëren, moesten forse hoeveelheden grond worden verplaatst. Maar dat was niks vergeleken bij de krachtproef die het stadion verlangde. De plannen voorzagen in een gedeeltelijk verzonken stadion achter een groene heuvel. Om dat voor elkaar te krijgen, moest het voetbalveld in een gigantische kuil komen te liggen. Van de afgegraven aarde werd een ringwal gemaakt, zodat een natuurlijke verhoging ontstond voor de tribunes. In 221 weken verplaatsten de bouwers 600.000 kubieke meter grond. Foto’s uit die tijd laten zien hoe werknemers met blote handen of slechts uitgerust met schop en kruiwagen, de bouwplaats uitgraven en het stadion steen voor steen opbouwen. Geen wonder dat het Goffertpark in de volksmond al snel de bijnaam ‘bloedkuul’ krijgt.

Het ontwerp van het park was gebaseerd op de ideeën van de stedenbouwkundige ir. A. Siebers uit Ulvenhout. Hij wilde een ‘echt verblijfspark’ aanleggen, vergelijkbaar met het Amsterdamse Bos of het Kralingse Bos in Rotterdam. Het Goffertpark zou een van de laatste voorbeelden in ons land zijn van de zogeheten volksparktraditie. Die stroming ontstond aan het einde van de negentiende eeuw en was een reactie op de romantische parkkunst. Volksparken hebben een sterk functioneel karakter en bieden mogelijkheden voor ontspanning, educatie en recreatie. De thema’s van de volksparktraditie sluiten aan bij de ideeën van de sociaal-democratische beweging uit die tijd. Het resultaat is de ‘groene long van Nijmegen’: een stadspark van ruim tachtig hectare, met daarin een speelweide, een openluchttheater, een (inmiddels gedempte) plasvijver, een theeschenkerij, een kinderboerderij, verschillende tennisbanen, en natuurlijk het Goffertstadion.

Minder dan twee maanden na de opening van de Goffert, op 29 augustus 1939, wordt in Nederland de algemene mobilisatie afgekondigd. Driekwart jaar later valt het Duitse leger ons land binnen en is de bezetting een feit. Recreatie staat in de donkere oorlogsjaren op een laag pitje. Na de oorlog weten Nijmegenaren echter massaal de weg naar het Goffertpark te vinden. De meesten komen voor een rustige wandeling of een bezoekje aan de kinderboerderij. Maar daar komt verandering in als het stadion een vaste bewoner krijgt: De Nijmegen Eendracht Combinatie.

N.E.C. is op 15 november 1900 ontstaan uit het samengaan van Voetbalvereniging Eendracht en NVV Nijmegen. Anders dan de meeste voetbalclubs van die tijd is N.E.C. een echte volksclub, opgericht op initiatief van enkele eenvoudige Nijmegenaren uit de benedenstad. In de eerste jaren van zijn bestaan speelt de club een marginale rol. Pas in 1936 dringen de Nijmegenaren door tot de hoogste klasse van het vaderlandse voetbal.

Tijdens de oorlog gebruiken de geallieerde troepen de sportvelden van N.E.C. aan de Hazenkampseweg om hun kampementen op te slaan. Na de bevrijding blijken die velden nauwelijks nog bruikbaar. Herstel zal veel tijd en handenvol geld kosten. Bovendien gaan er geruchten dat de gemeente Nijmegen de velden van N.E.C. voor nieuwbouw wil bestemmen. De club voelt wel iets voor een geheel nieuwe accommodatie en dient een uitgewerkt voorstel in bij de gemeente, zo staat te lezen in het boek N.E.C. 75 jaar historie. Het college van Burgemeester en Wethouders laat echter weten ‘dat, ondanks wij de noodzaak van een behoorlijke sportaccommodatie voor uw vereniging erkennen, er geen behoefte bestaat aan een tweede inrichting van het formaat als de Goffert’.

Vanwege de deplorabele toestand van de eigen accommodatie heeft N.E.C. dan al besloten de Goffert voor een jaar te huren. Ondanks de vrees van sceptici dat het kleine cluppie zal verzuipen in het enorme stadion, voelt N.E.C. zich er snel thuis. Daaraan zullen de resultaten een flinke bijdrage hebben geleverd. Zowel in het seizoen 1945/46 als in 1946/47 sleept N.E.C. het Oostelijk kampioenschap binnen.

Als de Koninklijke Nederlandse Voetbal Bond (KNVB) in 1954 besluit tot invoering van betaald voetbal, staat N.E.C. aanvankelijk in dubio. Meedoen of afhaken? Volgens de voorstanders is betaald voetbal noodzakelijk om de aansluiting met de top te behouden. Bovendien blijkt een andere Nijmeegse vereniging (Quick) vastbesloten de amateurstatus te handhaven. Als ook N.E.C. weigert te betalen, zal Nijmegen dus geheel verstoken blijven van betaald voetbal. Na een roerige periode beslist de Algemene Ledenvergadering in augustus 1954 dat N.E.C. zich zal aansluiten bij de betalende clubs.

In de decennia die volgen ziet Nijmegen in de Goffert illustere trainers voorbijtrekken als Wiel Coerver, Leen Looijen, Piet de Visser, Hans Croon en Pim van de Meent. Onder hun leiding degradeert N.E.C. weliswaar enkele keren naar de eerste divisie, maar promoveert de club even zo vaak. Bovendien maken de Nijmegenaren naam met talentvolle voetballers. In de jaren zeventig telt de opstelling spelers als Jan Peters, Edo Ophof, Frans Thijssen, Harry Schellekens, Jan van Deinsen, Theo de Jong, Eugène Marijnissen en, in de woorden van Gelderlander-redacteur Gerard Hachmang, ‘Cruijffs enige bedwinger’ Cees Kornelis. In de jaren tachtig en negentig heten hun opvolgers Danny Hoekman, Anton Janssen, Arno Arts, Kees van Wonderen en Chris van der Weerden.

Drie maal dringen de Nijmegenaren door tot de finale om de KNVB-beker: in 1972, 1983 en 1994. Hoewel N.E.C. alledrie de finales verliest, kweekt de club zowel binnen als buiten Nijmegen veel goodwill. Die wordt nog versterkt door de historische Europacup-wedstrijden tegen Brann Bergen en Barcelona. Het gevolg is dat voor een thuiswedstrijd gemiddeld 10.000 mensen naar de Goffert trekken.

Maar bezoekers van het stadion kwamen niet uitsluitend voor het voetbal, schreef Ad Lansink, voormalig Tweede-Kamerlid van het CDA, in 1999 in De Gelderlander. ‘Mijn eerste tochten naar het Goffertstadion - begin zestiger jaren - betroffen niet alleen de wedstrijden van N.E.C., maar ook wieler- en atletiekwedstrijden. Ik herinner mij vooral de spectaculaire ritten achter grote motoren, met de grote rug van Noppie Koch.’ Door zulke evenementen, gekoppeld aan het succesvolle optreden van N.E.C., groeide de Goffert gaandeweg uit tot het kloppend sporthart van Nijmegen.

Naast sportactiviteiten zijn ook andere gebeurtenissen onlosmakelijk verbonden met de Goffert, zoals de Vlaggenparade. De officiële opening van de wereldberoemde Vierdaagse vond decennia lang in het stadion plaats. Ex-N.E.C.’er Danny Hoekman gaf zich ooit als twaalfjarig jochie bij SCE op om mee te doen aan de parade, zo vertelde hij De Gelderlander. De parade zelf interesseerde hem ‘helemaal geen bal’, het stadion des te meer. ‘Ik kan me nog precies voor de geest halen dat we door die tunnel onder de Hazenkamp doorkwamen en dacht: ‘Zo is het dus om in een volle Goffert te voetballen’.’

Voormalig marsleider van de Vierdaagse Chris Bos maakte 22 van de in totaal 48 edities van de Vlaggenparade in de Goffert mee. Altijd ging het goed, nooit gooide het weer roet in het eten, schreef hij in De Gelderlander. Tot in 1999. Toen vanwege de sloop van het stadion de Vlaggenparade was verplaatst naar een ernaast gelegen noodonderkomen, ‘lieten de weergoden weten het daar niet mee eens te zijn. Zij gooiden zoveel water op precies de juiste plek en precies de juiste tijd dat de opening, nog niet halverwege, moest worden gestaakt.’ Voor Bos overigens geen reden voor wrok. ‘Deze laatste, minst plezierige herinnering aan al die 22 jaren zal niet verbonden blijven met het Goffertstadion. Deze natte ervaring blijft denken aan dat ene jaar 1999, waarin de echte Goffert zich lag mooi te maken voor een nieuwe toekomst.’

Naast de sportliefhebbers en de wandelaars zijn er tenslotte mensen voor wie de gang naar de Goffert zoiets is als een bezoek aan de tandarts. Vanaf eind jaren tachtig doen jaarlijks zo’n 16.000 mensen theorie-examen voor hun rijbewijs in het stadion. Dagelijks rijden bovendien circa tachtig kandidaten uit Nijmegen en de wijde omgeving het terrein van de Goffert af om hun vaardigheden in het verkeer te bewijzen.

Wanneer de omslag precies gekomen is, weet niemand. Maar gaandeweg glijdt de Goffert af. Wielrenners en atleten keren het stadion de rug toe en N.E.C. blijkt niet bij machte het stadion vol te krijgen. De ‘machtige schepping’ van weleer verwordt tot lelijk eendje, dat weliswaar bij sommige Nijmegenaren het bloed nog sneller doet stromen, maar elders in het land beschouwd wordt als een ongezellige, tochtige betonnen bak. Het tijdschrift Voetbal International stelt wekelijks aan profvoetballers een aantal eenvoudige vragen van het kaliber: wat is je favoriete film? De laatste jaren leverde de vraag naar het lelijkste stadion met grote regelmaat hetzelfde antwoord op: de Goffert.

Tot grote ergernis overigens van Danny Hoekman. De rasechte Nijmegenaar komt al sinds zijn vijfde in het stadion, eerst als supporter, later als speler van N.E.C.. Zestien jaar na zijn debuut in 1983 liet hij zich tegenover een verslaggever van De Gelderlander lyrisch uit over het stadion. ‘Bij avondwedstrijden kon je vanaf de Dukenburgse brug de lampen zien branden. Schitterend. Dat uitnodigende. Dat licht waar je naar toe werd getrokken. Je moet een stadion vanuit de verte zien liggen. Als speler was er niets mooiers. In de bus zitten en dan naar die lampen rijden. Dan kreeg ik kriebels in de buik.’ Ook als hij dichter bij het stadion kwam, bleef Hoekman enthousiast. ‘Prachtig. De oude Goffert was een groot stadion. Een plek waar je een club als Barcelona tenminste met goed fatsoen kon ontvangen.’ Als medespelers van zijn latere club, ADO Den Haag, zich negatief uitlieten over de Goffert, had Hoekman zijn weerwoord klaar. ‘Nee, dat Zuiderpark [stadion van ADO Den Haag, MvZ] is mooi. Ben je aan het voetballen, zie je door de ene open hoek hoe de rest van Den Haag zijn pitbull in het park uitlaat. En in de andere hoek zie je hoe de stand is bij de amateurs.’

Maar het aantal medestanders van Hoekman slinkt. Als N.E.C. medio 1998 zijn plannen voor een nieuw stadion presenteert, kan er voor de oude Goffert nauwelijks nog een goed woord af. ‘De Goffert is een stadion met een rijk verleden, maar daarmee is eigenlijk ook alles gezegd’, zo schrijft de club in het bidbook De Goffert richting 2000. ‘In de huidige situatie scoort de accommodatie vooral met minpunten. De inrichting en faciliteiten zijn verouderd. Het comfort en de veiligheid laten te wensen over en ook de sfeer en de ambiance zijn niet om over naar huis te schrijven. De sintel- en wielerbaan zijn veel spelers en toeschouwers al vele jaren een doorn in het oog. Bovendien vergroten deze banen de afstand tussen veld en publiek.’

Er zijn meer overwegingen die halverwege de negentig nopen tot de bouw van een nieuw stadion. Zo heeft de KNVB scherpere veiligheidseisen opgesteld, die op 1 augustus 1999 van kracht zullen worden. Die eisen komen er onder meer op neer dat voetbalstadions alleen nog maar zitplaatsen mogen bevatten. Wordt de Goffert niet aangepast, dan valt het doek voor het betaald voetbal in Nijmegen. Bovendien heeft de club een moderner stadion nodig om te kunnen overleven, stelt voorzitter Hans van Delft in dagblad De Gelderlander. ‘In de huidige behuizing kunnen we jaarlijks hooguit tien miljoen gulden verdienen. Willen wij mee blijven doen, dan moeten we binnen een paar jaar naar twintig miljoen. Dat kan alleen in een nieuw stadion.’

In de eerste maanden van 1998 vindt intensief overleg plaats tussen enerzijds Van Delft en stadiondirecteur Han Weijers namens N.E.C. en anderzijds tal van vertegenwoordigers van de gemeente Nijmegen. Weijers noemde het later in De Gelderlander de spannendste periode van het hele nieuwbouwtraject. ‘Maandenlang hadden Hans van Delft en ik allerlei raadsleden over de vloer gehad. We wisten dat we er al het mogelijke aan gedaan hadden, maar zaten van binnen toch met die ene vraag: is dat genoeg om de gemeente werkelijk te overtuigen van het belang van dit nieuwe stadion?’ Het was genoeg. In juni 1998 geeft de gemeenteraad unaniem het groene licht.

Onduidelijkheid bestaat dan nog over de precieze aard en omvang van het project. Een grondige verbouwing lijkt aanvankelijk voldoende. De oorspronkelijke plannen voorzien in de bouw van een nieuwe eretribune tegen het hoofdgebouw. Aan de kopse kanten achter de doelen zullen twee nieuwe tribunes verrijzen, waarna het geheel als een kuip aan de Hazenkamptribune zal worden bevestigd. Maar najaar 1998 ziet N.E.C. van dat plan af. De Hazenkamptribune blijkt te zijn aangetast door betonrot. Bovendien blijken de kosten voor de bevestiging van de Hazenkamp aan de twee nieuwe kopse kanten miljoenen hoger dan verwacht, zodat het goedkoper is om een hele nieuwe tribune neer te zetten.

Aan de totale kosten van het plan verandert dat niets, die worden nog steeds geraamd op ongeveer 17,5 miljoen gulden. Club en sponsoren nemen 9,5 miljoen voor hun rekening, verschillende overheden investeren 8 miljoen. Wat ook niet verandert is de voorkeur voor het Goffertpark. Terwijl veel andere voetbalclubs met hun nieuwe stadion verhuizen naar ongezellige locaties aan de rand van de stad, houdt N.E.C. vast aan het volkspark, in het hart van de stad. Dat heeft zo zijn voordelen. Door het park tegelijkertijd met het stadion een face-lift te geven, gaat het project verder dan enkel stadionvernieuwing en komen er extra subsidiegelden beschikbaar, onder meer van de provincie Gelderland en de Europese Gemeenschap. Dus worden het openluchttheater en de educatieve tuin opgeknapt, komen er skate- en skeelervoorzieningen en worden de fiets- en wandelpaden aangepast. De begroting van het totale project bedraagt daarmee 25 miljoen gulden.

Kort na de jaarwisseling gaat de oude Goffert op de schop. Eerst de tribunes achter de beide doelen, daarna de Hazenkamp-tribune. Aan wethouder Tettero de eer om het eerste deel van een tribune te slopen. Stadiondirecteur Han Weijers is onder de indruk, bekent hij in De Gelderlander. ‘Vooral omdat ik me steeds voorhield dat nu binnen een mum van tijd gesloopt werd wat zestig jaar geleden door honderden mensen met de blote handen en kruiwagens is opgebouwd. Nu komt er zo’n grote machine: hup, weg stadion.’

De daaropvolgende maanden zijn gemiddeld honderd mensen dagelijks druk met de nieuwbouw. Op 2 juli 1999 bereiken de bouwers het hoogste punt, reden voor een klein feestje met pannenkoeken en het traditionele pannenbier. De rest van de zomer werken de bouwers met man en macht door om het stadion in het najaar speelklaar te krijgen.

Desondanks komt de geplande openingswedstrijd, op 18 september tegen PSV, te vroeg. Op het laatste moment besluit de Nijmeegse clubleiding het duel af te gelasten omdat de veiligheidsvoorzieningen in en rondom het stadion nog onvoldoende zijn getest. Een krappe week later, op 23 september, is het wel raak. N.E.C. speelt voor het eerst in de nieuwe Goffert; een bekerwedstrijd tegen de amateurs van Spakenburg. Uitslag: 3–0.

De nieuwe Goffert is niet te vergelijken met zijn voorganger. In plaats van het open, tochtige sportstadion staat er nu een hypermoderne, geheel overdekte en intieme voetbalarena. De capaciteit is teruggebracht van 30.000 naar 12.500 plaatsen, maar kan zo nodig op vrij eenvoudige wijze worden uitgebreid. De staanplaatsen zijn verdwenen, het aantal toegangen is teruggebracht en voorzien van tourniquets, die de controle van bezoekers vereenvoudigen. Verder zijn de wielerbaan en de sintelbaan verdwenen, en staan de kopse kanten veel dichter op het veld. De daardoor vrijgekomen ruimte biedt plaats aan twee promenaden, waarover de bezoekers naar hun zitplaatsen kunnen wandelen. Achter de westelijke tribune ligt een plein, waarop de supportersbussen van bezoekende clubs kunnen parkeren. Tenslotte telt het stadion tal van technologische snufjes. Er hangen tv’s zodat supporters in het stadion naar de persconferentie kunnen kijken, er is een aparte ontvangstruimte voor de supporters van de tegenpartij, compleet met eigen toilet en horecagelegenheid.

Na acht maanden van breken en bouwen beschikt N.E.C. met de nieuwe accommodatie niet alleen over een uiterst moderne voetbaltempel, maar ook over een knus stadion, dat nu al wordt gezien als een van de gezelligste van Nederland.

Verschenen in: Gert Hoogeboom: Getuige [van] Acht maanden breken en bouwen in het Goffertstadion (Nijmegen: Thieme, 1999).