Machiel van Zanten

freelance journalist, tekstschrijver, eindredacteur

Ferry van Veghel

“Mijn functie is een jongensboek in het kwadraat”

Hij is veelvuldig in het nieuws als het gaat over Syriëgangers en andere jihadverdachten. Ferry van Veghel leidt namens het Openbaar Ministerie de strijd tegen het terrorisme. De alumnus denkt met warme gevoelens terug aan zijn Nijmeegse tijd (1995–1999). “Ik had nergens anders willen studeren.”

“Het leek me vooral spannend: samen met de politie misdrijven oplossen en de verantwoordelijken voor de rechter brengen. Een jongensboek. Op de middelbare school in Den Bosch was ik er al heilig van overtuigd dat ik officier van justitie wilde worden. Ik ben dus heel bewust rechten gaan studeren.” Ook over de keuze voor Nijmegen twijfelde Van Veghel niet. “Ik had meteen het gevoel: hier pas ik. De aanpak sprak me aan. Die was niet alternatief als in ‘geitenwollensokkenalternatief’, maar wel eigenzinnig.”

De student Van Veghel richtte zich volledig op het strafrecht. Maar gaandeweg verzwakte de overtuiging dat hij rechtstreeks naar een officiersfunctie zou doorstomen. “Ik kreeg steeds meer het gevoel dat de advocatuur óók bij mij zou passen. Mijn scriptie ging over de positie van het slachtoffer in het strafproces. Daardoor zag ik de gevolgen van overheidsingrijpen. Ik was rechten gaan studeren omdat ik officier wilde worden. Maar toen ik klaar was, ging ik toch de advocatuur in.”

Na zes jaar bij advocatenkantoor CMS Derks Star Busmann maakte Van Veghel de balans op. “Ik kon een partnertraject ingaan, maar wist inmiddels dat het commerciële karakter van zo’n groot kantoor minder goed bij me past. Ik keek vooral naar de inhoud, niet of een zaak commercieel interessant was. Toevallig nam de hoofdofficier van het parket in Utrecht rond die tijd contact op. Of ik eens wilde komen praten. Binnen drie maanden was ik officier van justitie.”

Ontwrichting

Spijt van zijn advocatenperiode heeft Van Veghel nooit gehad. “Als officier is het belangrijk dat je ook de andere kant van het verhaal kent. Mensen aanhouden en vervolgen, is buitengewoon ingrijpend. Dankzij de advocatuur weet ik wat zulke beslissingen teweegbrengen. Achteraf bezien had ik op geen enkele andere manier officier willen worden.”

In Utrecht deed Van Veghel mediagenieke processen als de filefuikzaak en de Chipsholaffaire. Het was de tijd dat beginnende officieren meteen zware zaken mochten doen. “De krenten in de pap dus. Elke officier moet een gevoel van opwinding onderdrukken als hij ’s nachts gebeld wordt met de mededeling: er ligt hier een lijk. De meeste mensen moeten er niet aan denken, maar geen enkele officier zal zeggen: ‘Joh, bel maar een ander, ik slaap verder.’ Dát zijn de zaken die ertoe doen, de zaken die je wilt oplossen.”

Op zoek naar verdere verdieping stapte Van Veghel in 2013 over naar het landelijk parket, waar hij zich aanvankelijk vooral bezighield met drugs- en witwaszaken. “Het was de tijd dat er steeds meer mensen naar het strijdgebied vertrokken, dat de burgeroorlog in Syrië verergerde en dat delen van Irak werden overgenomen door terroristische organisaties. Toen het parket in 2014 een landelijk coördinerend officier terrorismebestrijding zocht, stak ik m’n hand op.”

“Waarom ik dat deed?” Er volgt een lange pauze. “Enerzijds vanwege de enorme maatschappelijke ontwrichting die terrorisme begon te veroorzaken. Anderzijds leek het me wederom spannend. We hadden wetsartikelen die nauwelijks gebruikt waren en waarvan we niet wisten wat de reikwijdte was. Het leek mij ontzettend interessant om een rol te spelen in dat onontgonnen gebied. Als het werk van een officier een jongensboek is, is deze functie een jongensboek in het kwadraat.”

Spagaat

Gevraagd naar hoogtepunten van de afgelopen vijf jaar noemt Van Veghel het netwerk van terrorismeofficieren. “Daar ben ik heel trots op. Elk parket heeft nu een officier die belast is met de aanpak van terrorisme.” Ook op de versteviging van de bewijspositie in terrorismezaken is hij trots. “In de eerste zaken zeiden verdachten: ‘Ik wilde niet gaan strijden, maar enkel in het kalifaat gaan wonen.’ We hebben deskundigen gevraagd hoe aannemelijk dat is. Hun conclusie: verreweg de meesten weten dat ze gaan strijden; wie denkt dat hij wat anders gaat doen, vervult uiteindelijk toch een rol bij terroristische organisaties. Met het rapport van die deskundigen hebben we een belangrijke piketpaal geslagen, waarvan we nog steeds profijt hebben.”

Van Veghel is inmiddels gewend aan de media-aandacht die terrorismezaken trekken. “Het maakt me niet uit hoeveel camera’s er in de zittingszaal staan, het werk moet gewoon goed gedaan worden.” Hij maakt ook wel gebruik van de media. “Terrorisme gaat ons allemaal aan. Als er cameraploegen zijn, probeer ik ook aan de mensen in de huiskamer uit te leggen hoe erg een situatie is geweest en hoe het OM daartegen aankijkt.”

Moeilijker dan die media-aandacht is de politieke context. “Het OM vindt dat mensen die in het strijdgebied wat hebben misdaan, hier moeten worden aangehouden en vervolgd. De politiek denkt daar soms anders over. Dat is een ingewikkelde spagaat: ik moet me niet bemoeien met de politiek. Tegelijkertijd moet ik wel blijven staan voor die rechtvaardige samenleving, waarin mensen vervolgd worden als ze zich schuldig hebben gemaakt aan strafbare feiten.”

Eigenzinnigheid

Na vijf jaar als terrorismeofficier weet Van Veghel: “Dit is verreweg de leukste functie die ik ooit heb gehad. Het is ook de functie die verreweg het meest van me vraagt. Hoelang ik dat volhoud? Er kan een moment komen dat het genoeg is geweest, maar daar wil ik nu nog niet aan denken. Of ik terug zou willen naar de advocatuur? Misschien. Ik heb niet het gevoel dat ik als advocaat aan de verkeerde kant stond en nu aan de goede sta. Het uitgangspunt dat iedereen recht heeft op verdediging, zit bij mij zo diep verankerd dat ik probleemloos weer advocaat zou kunnen zijn.”

Van Veghel is twintig jaar weg uit Nijmegen, maar koestert nog altijd warme gevoelens voor zijn studententijd. “Het is een ontzettend leuke periode geweest. Ik heb bijvoorbeeld tweeënhalf jaar voor faculteitsblad Actioma geschreven en ben anderhalf jaar hoofdredacteur geweest. Daar heb ik veel van geleerd. En ik noemde eerder die Nijmeegse eigenzinnigheid. Die vond ik toen bij Ybo Buruma, bij wie ik ben afgestudeerd. Hij is voor mij hét voorbeeld van een eigenzinnige jurist. Buruma en Ad Machielse hebben mijn visie op het recht voor een belangrijk deel bepaald. Mede daarom was Nijmegen echt dé plek voor mij. Ik had nergens anders willen studeren.”